| aap: | de -woord (mannelijk) apen 1 hoogontwikkeld zoogdier uit de onderorde Simiae van de primaten, in uiterlijk gelijkend op de mens;daar komt de aap uit de mouw nu blijkt de eigenlijke toedracht, bedoeling; in de aap gelogeerd zijn (tegen de verwachting in) in moeilijkheden geraakt zijn, bedrogen uitgekomen zijn; zich een aap lachen, ergeren, vervelen erg, in hoge mate; hij speelt aap wat heb je mooie jongen hij is overdreven vriendelijk (tegenover iem. van wie hij wat verwacht of tegenover wie hij wat goed te maken heeft); iem. voor aap zetten een mal figuur laten slaan; de aap beet hebben de buit (het begeerde geld) binnen hebben; al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding de mooiste kleren maken een lelijk mens nog niet mooi; als apen hoger klimmen willen, dan ziet men juist hun naakte billen als iem. zich voornamer wil voordoen dan hij is, merkt men juist zijn gebrek aan opvoeding en beschaving; Zuid-Nederlands : iem. voor de(n) aap houden of de(n) aap met iem. houden iem. voor de gek houden; Zuid-Nederlands : men moet een oude aap geen smoelen of muilen leren trekken iem. die ouder of meer ervaren is moet men geen lessen geven; 2 ondeugend kind: een aap van een jongen ;3 tekenaap, pantograaf;4 Zuid-Nederlands domoor, ezel |
| aap: | 1 Vierhandig zoogdier uit de orde der primaten
2 Min of meer vierkant zeil dat op oude zeilschepen gebruikt werd om meer zeil bij te zetten. |
| aap: | belhamel, bengel, boef, deugniet, ondeugd, rekel, vlegel, kwajongen oen, uil, ezel |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.