| af: | bijwoord 1 hoeveel moet er af? hoeveel moet ik eraf halen?; zegswijze: dat kan er niet af dat kunnen we niet betalen; Hamlet af verlaat het toneel; bevel tegen honden: af! hou op; 2 3 zij zakten de rivier af stroomafwaarts; 4 in de uitdrukkingaf en toe soms; 5 ik ga er meteen op af iets ondernemen; op de man af ronduit; de vliegen kwamen op de lucht af werden aangelokt door; ik ga op het rijtje af ; 6a van hier af moet je lopen vanuit dit punt; van dit ogenblik af ; van kindsbeen af al sinds de kindertijd; 6b van jongs af aan onafgebroken sinds iemands vroegste jaren; van nu af aan voortaan; van voren af aan opnieuw; 7 hij is bakker af hij is geen bakker meer; hij is goed (slecht) af hij heeft het goed (slecht) getroffen; 8 voltooid: het werk is af ; de kous is af ;9 bij de beesten af heel grof; op de minuut af precies op tijd; op het gevaar af voor een dwaas versleten te worden het risico lopend; zijn verhaal was bij het langdradige af |
| af: | gereed, klaar, gedaan, uit, voltooid |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.