| afleggen: | ` af - leg - gen (legde af, h. afgelegd) 1 uittrekken: zijn mantel afleggen ;2 wegdoen, afdanken: oude kleding afleggen ;3 doen, volbrengen: een bezoek, examen, proeve van bekwaamheid, verklaring, eed, gelofte, (geloofs)belijdenis afleggen ;4 laten varen, niet volharden in: zijn toorn, schroom afleggen ;5 zich over een zekere afstand verplaatsen: gemiddeld veertig kilometer per uur afleggen ;6 wassen en het doodskleed aandoen (van een lijk );7 het afleggena) sterven, b) het opgeven, moeten onderdoen; het afleggen tegen iem. voor iem. onderdoen; 8 door takken of twijgen met grond te bedekken een nieuwe plant zelfstandig doen opgroeien;9 als afgehandeld wegleggen: de reeds beantwoorde post afleggen |
| afleggen: | afzetten doen, uitvoeren, volbrengen afdoen, uittrekken uitspreken aflopen wegdoen, afdanken |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.