| baas: | de -woord (mannelijk) bazen 1 leider, hoofd, iem. die de bevelen geeft;de baas spelen (over iem.) macht uitoefenen (over iem.); iem. de baas zijn iem. overtreffen; iets de baas kunnen het kunnen klaarspelen; er is altijd baas boven baas er is altijd iem. die beter is (meent te zijn) dan de anderen; een oude baas een oude man; baas in eigen buik leus gebruikt in de strijd voor de vrijheid van abortus; 2 iem. in betrekking tot zijn personeel, chef, patroon;eigen baas zijn aan niemand ondergeschikt zijn; het zo druk hebben als een klein baasje het erg druk hebben (als iem. zonder personeel); 3 knapperd; iem. die ergens zeer bedreven in is: hij is een baas in wiskunde ;4 mannelijk persoon in betrekking tot zijn huisdier: bent u de baas van dit hondje? |
| baas: | beheerder van een associatie die verantwoordelijk is voor een uniforme gegevensuitwisseling tussen geassocieerde processen |
| baas: | bollebof, heerser, eigenaar, hoofd, leider boss, meerdere, padrone, superieur, chef, directeur, meester, patron, patroon, verantwoordelijke klepper, knapperd |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.