| beroep: | be` roep het -woord beroepen 1 bezigheid waarmee men in zijn levensonderhoud voorziet, betrekking, werkkring: haar beroep was lerares ; automonteur van beroep zijn ;het oudste beroep (van de wereld) de prostitutie; de vrije beroepen beroepen die men uitoefent zonder in loondienst te zijn, bijv. notaris, belastingadviseur, arts e.d.; 2 uitnodiging aan een predikant of proponent om in een gemeente predikant te worden: een beroep uitbrengen op... ;3 geen meervoud verzoek om steun;een beroep doen op iem., iets de steun van iem., iets inroepen; een beroep doen op iems. gevoel voor rechtvaardigheid trachten hem overeenkomstig dat gevoel te laten handelen; 4 geen meervoud recht poging bij een hogere rechter herziening te verkrijgen van een door een lagere rechter gedane uitspraak: in beroep gaan tegen een vonnis ; in hoger beroep gaan ; beroep aantekenen tegen een vonnis |
| beroep: | Professie, dat wat iemand doet om de kost te verdienen. |
| beroep: | betrekking, referte, ambacht, ambt, betrekking, bezigheid, professie, stiel, vak appèl, oproep |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.