| beslag: | be` slag het -woord 1, 6 beslagen 1 belegsel, bekleedsel, vooral van metaal gemaakt; van paarden : stel hoefijzers;2 oeverbekleding;3 mengsel van meel, water, eieren, gist e.d. om te bakken: beslag voor pannenkoeken ;4 het door de overheid onder zich nemen van zaken, het onttrekken van zaken aan de vrije beschikking van de eigenaar of van anderen;beslag leggen op in bezit nemen, o.a. als onderpand van betaling, ook fig : beslag leggen op iems. tijd iems. tijd en aandacht opeisen; in beslag nemen in bezit nemen: gestolen goederen in beslag nemen ; figuurlijk opeisen, eisen: de werkzaamheden namen veel tijd in beslag ; 5 voltooiing;zijn beslag krijgen in orde komen, definitief geregeld zijn; 6 veebeslag |
| beslag: | 1 Mengsel van een vaste stof, zoals meel of kalk, met een vloeistof.
2 Datgene waarmee iets belegd of omsloten wordt.
3 Beslaglegging, inname van goederen van rechtswege.
4 Dichte laag van rijshout, riet enz. waarmee een oever is bekleed.
5 Veestapel.
6 De opbrengst van de oogst. |
| beslag: | min of meer op de onderlaag vastzittende en daardoor slechts onder optreden van een bloeding te verwijderen glibberige secreetmassa, die door de omstandigheden ter plaatse (slijmvlies, opeenliggende huiddelen, nat verband) niet tot een crusta kon indrogen |
| beslag: | bekleedsel, oeverbekleding, armatuur, belegsel beslaglegging voltooiing |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.