| broek: | de -woord broeken 1 kledingstuk ter bedekking van het onderlichaam met openingen of pijpen voor elk van de benen;een korte broek zonder of met slechts korte pijpen; een lange broek met pijpen tot aan de enkels; een vrouw met de broek aan die thuis de baas speelt; een jong broekje een jong ventje; achter de broek zitten krachtig aansporen; het in de broek doen a) de urine of ontlasting laten lopen; b) figuurlijk zeer bang zijn; het zal ze dun door de broek lopen het zal hun zwaar tegenvallen; op (voor) de broek krijgen een pak slaag krijgen, verliezen; een proces aan zijn broek krijgen als aangeklaagde een proces moeten voeren; zijn broek aan iets vegen, vagen iets aan zijn laars lappen, voor iets zijn best niet doen; daar zakt mijn broek van af dat vind ik bijzonder vreemd, dat verbaast me ten zeerste; Zuid-Nederlands : iem. de broek uitvegen een uitbrander geven, de mantel uitvegen; Zuid-Nederlands : uit zijn broek vallen gezegd van iem. die heel mager is; 2 3 zeildoeks stoeltje dat wordt gebruikt bij het wippertoestel2 broekhet -woord drassig land |
| broek: | zich tussen ontstoffingsinstallatie en schoorsteen bevindend rechthoekig verbindingskanaal, waarin stofemissies van installaties waar steenkool wordt verbrand gewoonlijk gemeten worden |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.