| buik: | de -woord (mannelijk) buiken 1 voorste deel van de romp onder de borst: op de buik liggen ; de buik ontbloten ;iets op de buik kunnen schrijven iets niet krijgen: na het tegendoelpunt kon de ploeg de overwinning wel op zijn buik schrijven ; zie ook bij hand ; 2 dergelijk deel van het lichaam bij dieren: er liep een vlo over de buik van de hond ;3 inwendige van de romp waar de spijsverteringsorganen e.d. zitten: pijn in de buik hebben ;zijn buik vol eten eten tot men verzadigd is; zijn buik vol hebben van meer dan genoeg hebben van, van iets afkerig geworden zijn; van zijn buik een afgod maken leven om lekker te eten; een buik met benen hebben informeel zwanger zijn; zie ook bij baas ; 4 wijdste deel van een fles, kruik e.d.;5 natuurkunde elk punt met de grootste trilling in een golfbeweging; tegengest : knoop |
| buik: | Onderste deel van de voorkant van de romp van mens (of vergelijkbaar deel bij dier), van boven begrenst door het middenrif en van onderen door de bekkengordel. Bevat de ingewanden. |
| buik: | gedeelte van de onderzijde van een trawlnet, begrensd door de middeling van de onderpees en de ondernaden of zijnaden bij respectievelijk twee of vier netperken |
| buik: | abdomen, maag, pens, ransel |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.