| door: | I voorzetsel 1 van de ene zijde van een voorwerp of een ruimte naar de andere: een tunnel door een berg ; figuurlijk :door iem. heen kijken doorgronden wat er in iemand omgaat; 2 van het ene punt binnen een voorwerp of een ruimte naar het andere: door de lucht vliegen , door de zaal lopen ;3 van het ene tijdspunt naar het andere: door de eeuwen heen ;4 (duidt vermenging van zaken met elkaar aan): zout door het eten ; jongens en meisjes door elkaar ;5 (duidt de handelende persoon aan in zinnen met de lijdende vorm): dit boek is door een nobelprijswinnaar geschreven ;6 (duidt de oorzaak van iets aan of het middel waarmee iets wordt bewerkstelligd): onbekwaam door de drank ;II bijwoord : 1 door en doorvolkomen, helemaal; er door zijn (bij zwemmen) gewend zijn aan de lagere temperatuur van het water; 2 Zuid-Nederlands 2 doorde -woord (mannelijk) doren = dooier |
| door: | ten gevolge van, van, vanwege, wegens doorheen, tussendoor over, verder, voort |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.