| duivel: | ` dui - vel de -woord (mannelijk) duivels, duivelen boze hellegeest, gevallen engel, satan; des duivels prentenboek het kaartspel; als men over de duivel spreekt, trapt men hem op zijn staart gezegd als een persoon over wie gesproken wordt, juist binnenkomt; de duivel in hebben uit z`n humeur zijn; des duivels zijn erg boos zijn; de duivel aan iets gezien hebben er een hekel aan hebben; bij de duivel te biecht gaan hulp inroepen van iem. van wie men niets goeds kan verwachten; Zuid-Nederlands : iem. de duivel aandoen iem. erg plagen, pesten, sarren, treiteren; Zuid-Nederlands : spartelen als een duivel in een wijwatervat tekeergaan als een bezetene, vooral van iem. die zichzelf in moeilijkheden heeft gebracht; Zuid-Nederlands : den duivel te plat zijn zo glad zijn als een aal, een geslepen vos zijn; zie ook duvel en 4 moer |
| duivel: | droes, drommel, duvel, Satan, demon, moer |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.