| fris: | I («Duits) bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 1 tamelijk koud: het is fris (frisjes) buiten ;2 helder: frisse kleuren ;3 zuiver, niet bedompt: frisse lucht ;een frisse neus halen even naar buiten gaan, een korte wandeling maken; 4 onbedorven, onbevooroordeeld: een frisse kijk op de zaak ; zie ook bij hoen en lever ;II de -woord (mannelijk) verkorting van frisdrank : een glaasje fris |
| fris: | koel vers, nieuw kloek, levendig, monter, onbevooroordeeld, opgewekt, pittig schoon, helder uitgerust frisdrank |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.