| groot: | 1 I bijvoeglijk naamwoord en bijwoord van meer dan gemiddelde afmetingen, ook figuurlijk ; een groot heer een voornaam of rijk man (vaak enigszins ironisch); de grote hoop de grote meerderheid, de massa; een groot man iem. van grote betekenis; de grote lui (ook aaneengeschreven: grotelui ) de grote wereld, de rijken en aanzienlijken; groot met iem. zijn zeer bevriend; het niet groot op iem. hebben niet op iem. gesteld zijn, niet veel vertrouwen in iem. hebben; groot gelijk hebben ongetwijfeld gelijk hebben; het grote geld grote geldbedragen; zie ook kunst (bet 2) , mond , school , tenue , terts en voet (bet 4) ; II het -woord : in het groot 2 grootde -woord (mannelijk) groten vroeger halve stuiver |
| groot: | 1 Meer dan normaal in formaat.
2 Bewonderingswaardig, goed.
3 Machtig, belangrijk.
4 Volwassen: grote mensen en kinderen. |
| groot: | dik, hoog, lang, wijd veel, aanzienlijk, flink, fors, omvangrijk, ontzaglijk, ruim, stevig belangrijk, goed, groots, intens, kapitaal, machtig, uitstekend |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.