| haak: | de -woord (mannelijk) haken 1 gebogen voorwerp, meestal van metaal gemaakt en met een puntig uiteinde, om iets vast te pakken, aan op te hangen enz. (vishaakje, vleeshaak);2 andere voorwerpen, met ongeveer dezelfde functie of vorm;in de(n) haak in orde; aan de haak slaan (een vrouw, man) veroveren; schoon aan de haak geslacht en uitgehakt (gewogen), schertsend (van mensen ) zonder kleren gewogen; haken slaan onverwacht scherpe wendingen maken van wild op de vlucht; haken en ogen figuurlijk geharrewar, moeilijkheden, gevoeligheden die men moet ontzien; 3 leesteken; tussen haakjes plaatsen (....) ;tussen haakjes iets opmerken buiten het onderwerp van gesprek om iets meedelen; 4 onderdeel van vroegere telefoons waarop de hoorn rustte, vandaar :de hoorn van de haak halen, nemen, op de haak leggen e.d. de telefoon opnemen, ophangen e.d. |
| haak: | metalen voorwerp, al of niet voorzien van een of meerdere weerhaken, vervaardigd uit een bepaalde lengte, plat, ovaal, rond of vierkant staaldraad, waarvan de ene zijde in een bocht is gebogen en de andere zijde is voorzien van een oog of palet, ter bevestiging van de lijn |
| haak: | gesp, loet, klauw, klem, kram klamp |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.