| kaak: | de -woord kaken 1 de beenderen boven en onder de mondholte; de boven- of de onderkaak; kaken mond, bek, muil:hou je kaken hou je mond; de kaken van de dood ; 2 3 4 benaming van delen van werktuigen, die enigszins op kaken gelijken, o.a. aan een schaaf, aan een bankschroef enz.2 kaakde -woord kaken schandpaal; aan de kaak stellen als verkeerd bekendmaken, te schande maken, gispen, 1 laken 3 kaak(ĢEngels) de -woord kaken hard meelgebak, scheepsbeschuit |
| kaak: | Het beendergestel dat de mondholte omsluit en waarin de tanden en kiezen geplaatst zijn. |
| kaak: | Erestraf, waarbij veroordeelde werd vastgeklonken aan een paal om bespot te worden door voorbijgangers; een houten inrichting waarmee drie personen tegelijk te schande konden worden gezet, werd een schandblok genoemd(1) |
| kaak: | het beendergestel dat de mondholte omsluit en waarin de tanden en kiezen geplaatst zijn |
| kaak: | bek, muil, kinnebak, mond scheepsbeschuit schandpaal |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.