| laag: | bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 1 niet hoog, van geringe hoogte: een laag huis ;lager onderwijs onderwijs aan kinderen van zes tot twaalf jaar; lagere akte bewijs van bevoegdheid voor het geven van lager onderwijs; 2 gering, onedel: van lage afkomst ;3 met weinig geluidstrillingen per seconde: een lage toon2 laagde -woord lagen 1 bedekking, omhulsel dat uitgespreid is;2 hinderlaag;iemand lagen leggen, fig iem. telkens in de val laten lopen, benadelen; 3 kanonnenrij op een oorlogsschip:iemand de volle laag geven, fig iemand met alle kracht aanvallen |
| laag: | geconcentreerde plantenmassa in een vegetatie op zekere hoogte boven de grond |
| laag: | In een netwerkarchitectuur:Verzameling van genormaliseerde protocollen en services in hiėrarchisch geordende groepen. |
| laag: | Tussen twee naburige doorsnijdingsvlakken opgesloten gedeelte van het werkstuk |
| laag: | vezelmat van homogene samenstelling als enkelvoudige laag gevormd op de papiermachine |
| laag: | abject, eerloos, karakterloos, onedel, serviel, vuig, gemeen, gering, laag-bij-de-gronds, min, nietswaardig, ploerterig, schandelijk, snood, verachtelijk, vilein, vulgair bedekking hinderlaag |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.