| maar: | («Duits) de -woord maren , ` ma - re de -woord maren tijding 2 maarI bijwoord 1 slechts, niet meer dan: ze is maar 1,45 m lang ;2 voortdurend, steeds: hij liep maar door ;3 4 alleen maaruitsluitend; Zuid-Nederlands niet eerder dan, pas: we leren onze gezondheid maar waarderen, als we ziek zijn ; II voegwoord doch, echter, evenwel: we wilden wel, maar we konden niet ; III het -woord maren bezwaar, bedenking |
| maar: | tegenwerping |
| maar: | mare, tijding slechts, pas steeds, voortdurend toch doch, echter, edoch, evenwel bedenking, bezwaar |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.