| objectief: | ob - jec` tief («Latijn) I bijvoeglijk naamwoord zich bepalend tot de feiten; zakelijk, onbevangen, onbevooroordeeld; II bijwoord wat de feiten betreft; III het -woord objectieven 1 Zuid-Nederlands doel, doeleinde, doelwit, oogmerk; doelstelling; de coureur had als enig objectief de gele trui ;2 het naar het voorwerp gerichte glas of samenstel van glazen in een kijker, microscoop, fototoestel enz. |
| objectief: | waarneembaar |
| objectief: | a) aanduiding van een reële en verifieerbare beschrijving van het object waarbij de menselijke factoren (zoals bij voorbeeld voorkeur, gewoonte, affectiviteit) tot het minimum worden beperkt; b) aanduiding van te techniek waarbij, door gebruikmaking van sensorische of instrumentele methoden, persoonlijke vergissingen tot een minimum kunnen worden beperkt |
| objectief: | de lens van een kijker of microscoop, welke zich het dichtst bij het te beschouwen object bevindt |
| objectief: | lens of lenzenstel van microscopen, kijkers, enz.,welke naar het te onderzoeken voorwerp is gekeerd, de door dit voorwerp teruggekaatste lichtstralen concentreert en daarvan een beeld v ormt |
| objectief: | Rondom de elektronenstraal geplaatste doorboorde optische lens |
| objectief: | afstandelijk, onbevangen, onbevooroordeeld, onpartijdig, zakelijk doeleinde, doelstelling, doelwit, doel, oogmerk |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.