| op: | I voorzetsel 1 2 3 4 5 6 7 van drie op vier (van een kamer e.d.) van drie bij vier (meter); verder in veel vaste verbindingen ( op gang komen ) en voor oorzakelijke voorwerpen: hopen op betere tijden ; 8 Zuid-Nederlands :op afspraak volgens; Zuid-Nederlands : op pensioen gaan met; Zuid-Nederlands : op de radio spreken voor; Zuid-Nederlands : zoeken op naar; II bijwoord 1 op zijna) uit bed zijn; b) uitgeput zijn; c) geheel opgemaakt, opgegeten of opgedronken zijn; op is op als er niets meer is, kan er niets meer worden verkocht, gebruikt e.d.; de zon is al op is al boven de horizon verschenen; 2 in vaste verbindingen:op en neer steeds afwisselend naar boven en naar beneden; Zuid-Nederlands : op en af heen en terug; heen en weer; 3 in veel samenstellingen met een werkwoord aaneengeschreven; vgl : ophebben en opkunnen ;4 Zuid-Nederlands erop: brood met echte boter opOP 1 Oostends Peil Belgisch referentiepeil voor hoogtemeting2 Ordinis Predicatorum (Latijn) van de orde der predikheren |
| OP: | microcomputer voor professioneel gebruik, veelal bestaande uit een beeldscherm met toetsenbord, een flexibele-schijveneenheid en een centrale verwerkingseenheid |
| op: | overwerkt, verbruikt, kapot, uitgeput, versleten in de hoogte, omhoog uit bed, wakker |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.