Type hieronder het woord waarvan u de betekenis wilt weten:


op:
I

voorzetsel


1
op school zitten ; op de tafel staan ; Zuid-Nederlands : op de trein ; Zuid-Nederlands : er zit veel vis op de vijver ;

2
op het doel schieten ; Zuid-Nederlands : de weg op Brussel ;

3
op een donderdag ; Zuid-Nederlands : op een minimum van tijd ;

4
hij volgt op mij ;

5
op zijn Italiaans ;

6
op bevel van hogerhand ;

7
één op de twintig mensen ; Zuid-Nederlands :
van drie op vier
(van een kamer e.d.) van drie bij vier (meter); verder in veel vaste verbindingen (
op gang komen ) en voor oorzakelijke voorwerpen: hopen op betere tijden ;

8
Zuid-Nederlands :
op afspraak
volgens;
Zuid-Nederlands :
op pensioen gaan
met;
Zuid-Nederlands :
op de radio spreken
voor;
Zuid-Nederlands :
zoeken op
naar;
II

bijwoord


1
op zijn
a) uit bed zijn; b) uitgeput zijn; c) geheel opgemaakt, opgegeten of opgedronken zijn;
op is op
als er niets meer is, kan er niets meer worden verkocht, gebruikt e.d.;
de zon is al op
is al boven de horizon verschenen;

2
in vaste verbindingen:
op en neer
steeds afwisselend naar boven en naar beneden;
Zuid-Nederlands :
op en af
heen en terug; heen en weer;

3
in veel samenstellingen met een werkwoord aaneengeschreven; vgl : ophebben en opkunnen ;

4
Zuid-Nederlands erop: brood met echte boter op

OP

1
Oostends Peil Belgisch referentiepeil voor hoogtemeting

2
Ordinis Predicatorum (Latijn) van de orde der predikheren
OP:microcomputer voor professioneel gebruik, veelal bestaande uit een beeldscherm met toetsenbord, een flexibele-schijveneenheid en een centrale verwerkingseenheid
op:overwerkt, verbruikt, kapot, uitgeput, versleten

in de hoogte, omhoog

uit bed, wakker


Woorden zoeken - Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.