| oud: | bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 1 van een zekere leeftijd: 10 jaar oud ;2 niet jong;zo oud als Methusalem zeer oud; hoe ouder hoe gekker ook op gevorderde leeftijd doet men wel dwaze dingen, vooral in liefdeszaken; 3 niet nieuw meer; zie ook bij Kralingen en Rome ;4 voormalig: oud-president ;Oude Stijl Juliaanse tijdrekening; 5 dezelfde, hetzelfde als vroeger: weer geheel de oude zijn ;alles bij het oude laten geen verandering aanbrengen; 6 klassiek, uit de klassieke oudheid;oude talen Latijn en Grieks; 7 het oude volk zie bij volk (bet 7) ; vgl : oude |
| oud: | Niet jong, van aanzienlijke leeftijd. |
| oud: | kenmerkende flavour van olie die te lang in recipiënten in opslagplaatsen is gebleven.Deze flavour kan ook voorkomen bij olie die al te lang in de verpakking zit |
| oud: | bedaagd, bejaard, op leeftijd archaïsch, klassiek, van vroeger, afgeleefd, antiek, gammel, grijs, oudbakken, versleten |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.