| over: | ` over voorzetsel en bijwoord 1 op, langs de bovenkant, boven: over iets heen lopen ;2 langs, via over Antwerpen naar Parijs ;over iem. heen gaan sport iem. passeren; 3 aan, naar de andere kant: over de spoorlijn ; op de plaats van bestemming: om 3 uur zijn we over ; (verhuizen) met de inboedel in het andere huis: we zijn gelukkig over ;over en weer a) van beide kanten: er werden over en weer verwijten gemaakt ; b) Zuid-Nederlands heen en weer; van de ene kant naar de andere: de veerboot gaat over en weer het kanaal over ; 4 Zuid-Nederlands tegenover: hij woont over ons ;5 6 na: over een week ;7 aangaande, betreffende: over iets nadenken ; het verhaal gaat over een oude vrouw ;8 te veel, overgebleven: er zijn nog aardappelen over ;te over in overvloed; 9 Zuid-Nederlands voor; geleden: ik kwam hier over tien jaar ;10 Zuid-Nederlands :over kort binnenkort; Zuid-Nederlands : over (de) middag tussen de middag; Zuid-Nederlands : er niet van over kunnen het niet kunnen begrijpen of verwerken, er verstomd van staan |
| over: | betreffende |
| over: | super, ultra, boven via, langs overgebleven, overig, te veel tegenover voorbij aangaande, betreffende, naar aanleiding van, nopens na geleden, voor |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.