| paal: | («Latijn) de -woord (mannelijk) palen 1 langwerpig stevig stuk hout, ijzer enz.;dat staat als een paal boven water daar valt niet aan te twijfelen, niets aan te veranderen; paaltje zie bij punt (I) ; 2 grenspaal;paal en perk aan iets stellen iets beknotten, er een eind aan maken; dat gaat de (of alle) palen te buiten dat gaat te ver; oude palen verzetten verandering brengen in oude regelen en gebruiken; 3 in voormalig Ned.-Oost-Indië afstandsmaat, op Java: 1506 m;4 heraldiek loodrechte gekleurde streep over een wapen;5 sport verticale balk als begrenzing van een doel, doelpaal;6 informeel penis in erectie;voor paal staan een gek figuur slaan; voor paal zetten belachelijk maken; 7 jeugdtaal een 1 als rapportcijfer of als cijfer voor een repetitie |
| paal: | mast, pols, staak, stander, stok, stut |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.