| paar: | («Latijn) I het -woord paren 1 twee bij elkaar horende personen: die jongen en dat meisje vormen een paar ; twee bijeenhorende voorwerpen: een paar schoenen ;2 twee of meer, enkele: een paar knikkers ;II («Frans) bijvoeglijk naamwoord Zuid-Nederlands (van getallen) even; tegengest : onpaar |
| paar: | 1 Stel, twee van een soort die bij elkaar horen.
2 Enkele, meerdere maar niet heel veel. |
| paar: | duo, gespan, stel, tweetal, koppel, span enkele, enige |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.