| partij: | par` tij («Frans) de -woord (vrouwelijk) partijen 1 groep, hoeveelheid: een partij goederen ;2 persoon of groep met bepaalde overtuiging;de beste partij kiezen de verstandigste houding aannemen; partij kiezen voor iem. hem verdedigen; 3 groep of vereniging die bepaalde (vooral politieke) beginselen voorstaat;4 aanklager of gedaagde voor de rechtbank;5 huwelijkspartner: een goede partij ;6 persoon of groep die een overeenkomst sluit;7 groep spelers: de twee partijen stonden opgesteld ;geen partij zijn voor iem. niet tegen hem opgewassen zijn; 8 spelletje: een partijtje biljart ;partij geven een gelijkwaardig tegenspel geven, niet voor de tegenstander onderdoen; 9 feest: een grote partij geven ;van de partij zijn meedoen; 10 deel, onderdeel: donkere partijen op een schilderij ;11 muziekonderdeel voor een bepaald instrument of een bepaalde stem; zie ook bij meeblazen ;12 voordeel: partij trekken van iets |
| partij: | 1 Vereniging van burgers die bepaalde uitgangspunten en opvattingen ten aanzien van de inrichting van de maatschappij delen.
2 Meerdere objecten goederen. |
| partij: | de uit één enkel pakstation afkomstige eieren, op één plaats gelegen, al dan niet verpakt, met dezelfde verpakkings-of sorteerdatum, en van dezelfde kwaliteits-en gewichtsklasse |
| partij: | hoeveelheid vleesprodukt waarvoor een zelfde begeleidend handelsdocument of keuringscertificaat geldt |
| partij: | groep, hoeveelheid, hoop, kaveling, lot, portie, troep aanhang, fractie, kamp, kant, ploeg, richting, zijde party, feest rol, deel, onderdeel, stem spelletje, wedstrijd huwelijkspartner voordeel |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.