| roos: | («Latijn) de -woord rozen 1 doornige plant met meestal welriekende bloemen (Rosa ); de bloem van deze plant;geen rozen zonder doornen er is altijd wel een minder prettige kant aan een zaak; slapen als een roos Zuid-Nederlands : op rozen slapen vast, zeer gerust slapen (met een blos op de wangen); op rozen zitten voorspoed genieten; onder de roos geheim, in vertrouwen; zie ook bij Jericho ; 2 bij vergelijking schone maagd;de geheimzinnige roos de maagd Maria, moeder van Christus; 3 cirkel midden in schietschijf:in de roos schieten, treffen figuurlijk een goede, geslaagde maatregel nemen; een schot in de roos een gelukkige, geslaagde maatregel; 4 schijf met de 32 windstreken: de roos van een kompas ;5 geen meervoud rode huiduitslag;6 geen meervoud huidschilfers op het hoofd;7 veelal verkl diamant met de vorm van een afgeknotte piramide2 roosZuid-Nederlands I bijvoeglijk naamwoord roze, bleek- of lichtrood: roos gekleurd papier ; II het -woord het roze, de bleek- of lichtrode kleur |
| roos: | Bloem met doornen op de stengel. |
| roos: | bepaalde slijpvorm voor diamanten |
| roos: | pelletjes roze |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.