Type hieronder het woord waarvan u de betekenis wilt weten:


slag:
I

de -woord (mannelijk)
slagen
het slaan;

1
klap:
met één slag
in één keer;
figuurlijk :
met de Franse slag
zie bij 1 Frans ;
figuurlijk :
zijn slag slaan
bij een geschikte gelegenheid zijn voordeel doen;
figuurlijk :
er een slag naar slaan
ernaar gissen;
zonder slag of stoot
zonder enige strijd;
slag over (voor) keer
Zuid-Nederlands keer op keer;
slag om slinger
Zuid-Nederlands a) voortdurend, steeds; b) om het hardst; c) om de haverklap;
slagen geven, krijgen
Zuid-Nederlands slaag geven, krijgen; zie ook bij
aangezicht ;

2
ongeluk, ramp: het was een zware slag ;

3
veldslag: slag leveren ; Zuid-Nederlands :
zich uit de slag trekken
uit een moeilijkheid, een netelige situatie (weten te) raken; zich ergens goed doorheen slaan;
Zuid-Nederlands :
iem. uit de slag trekken
iem. uit de nood helpen;

4
plotseling hard geluid van korte duur: een harde slag ;

5
het slaan van de klok:
de klok was van slag
sloeg onregelmatig (vgl ook bet 9);
het is op slag van acht(en)
de klok zal dadelijk acht uur slaan;
op slag, Zuid-Nederlands : op, met de slag
terstond;

6
klopping van pols en hart;

7
het werken: aan de slag gaan ;

8
beweging bij het zwemmen, roeien enz.: een paar slagen doen ;
op slag zitten
de voorste roeier in een roeiboot zijn;
slag houden
a) gelijk met een mederoeier oproeien; b) figuurlijk gelijk opgaan;

9
handigheid: slag van iets hebben ;
van slag zijn
a) niet de gewone vaardigheid hebben; b) algemeen niet de gewone innerlijke rust hebben (vgl ook bet 5);

10
één draaiing: een wiel een slag draaien ;

11
winding van opgerold touw enz.;
een slag om de arm houden
zie bij 1 arm ;

12
het opnemen van de kaarten van één ronde door degene die de hoogste kaart heeft opgegooid: alle slagen halen ;

13
zet met winst van één of meer stukken in dam- of schaakspel;

14
honkbal , softbal keer dat de werper een bal correct over de thuisplaat gooit of dat de slagman een bal fout slaat of misslaat;
aan slag zijn
aan de beurt zijn om te proberen de bal het veld in te slaan;
II

het -woord
slagen

1
maat, stukje: een slag groter, kleiner ;

2
geen meervoud (vaak neerbuigend) soort: een raar slag mensen ;

3
vogelknip; 2 til (bet 1)
slag:gedeelte van een hoeve dat in zijn geheel met hetzelfde gewas is beteeld
slag:groep van dieren van één ras die meer eigenschappen gemeen hebben dan de dieren van het ras;vooral bij runderrassen(bv.het Maas-Rijn-Ijssel roodbonte veeslag);het begrip ligt evenwel niet geheel vast
slag:het samenstellen van een touw uit strengen door deze in elkaar te draaien
slag:bots, floep, coup, dof, dreun, haal, houw, kap, klak, klap, klets, klop, knal, kneep, knots, lap, mot, oorveeg, opstopper, pardaf, patat, pats, peer, pees, percussie, plakkaat, plets, rol, schot, smak, stamp, stomp, stoot, tik, veeg, weerbots, zweepslag

ongeluk, ramp, schok, schrik

veldslag

stukje, maat

aard, soort

handigheid, vaardigheid

knik

trek

til, vogelknip


Woorden zoeken - Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.