Type hieronder het woord waarvan u de betekenis wilt weten:


uit:
I

bijwoord


1
buiten:
de bal is uit
buiten het speelveld;

2
van huis weg, voor plezier weg: mevrouw was uit ;

3
weg om te: uit stelen gaan ;

4
uitgebrand: de kachel is uit ;

5
geëindigd: de school is al uit ; dat moet uit zijn ; het verhaal is uit ; Zuid-Nederlands :
`t is amen en uit
en daarmee uit, basta;
Zuid-Nederlands :
`t is (amen en) uit met
het is gedaan met, het (genoemde) is op;

6
uitgelezen: heb je dat boek al uit? ;

7
uitgeleend: het boek was weer uit ;

8
uit zijn op
a) graag willen verkrijgen; b) Zuid-Nederlands lust, trek hebben in;
erop uit zijn om
streven naar;
Zuid-Nederlands :
er (hard) op uit zijn
geldzuchtig zijn;

9
er niet over uit kunnen
er zeer verbaasd over zijn, er vol van zijn;

10
uit de mode, niet meer in tel: visnetten op feestjes zijn uit ; vgl : 1 in (II, bet 2) ;

11
Zuid-Nederlands uitgedronken, opgedronken;
een glas (te veel) uit hebben
wat te veel op hebben, dronken zijn; zie ook bij
uit-en-te(r)-na ;
II

voorzetsel


1
weg van, buiten: uit de kamer gaan ; 10 km uit de kust ;
er uit zijn
a) een probleem opgelost hebben; b) Zuid-Nederlands uit de moeilijkheden zijn, er bovenop zijn;
Zuid-Nederlands :
er (niet) aan uit kunnen
a) er (niet) wijs uit worden; b) er (n)iets aan verdienen;

2
vanuit, afkomstig van: uit de goede oude tijd ; voorlezen uit de bijbel ; uit de grond van mijn hart ;

3
door, om: uit liefde ;

4
Zuid-Nederlands van: uit staaldraad, hout ; kalfsvlees uit de schouder ; uit vakantie terugkomen ;
uit de natuur, uit der nature, van nature uit
van nature
uit:1 afkomst aangevend 2 niet aan
uit:buiten

fini, geëindigd, op, af, gedaan, klaar, uitgelezen, voorbij

ex

vanuit, van


Woorden zoeken - Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.