| vaart: | de -woord 3, 4 vaarten 1 snelheid: het schip heeft een vaart van ... knopen ;het zal zo`n vaart niet lopen het zal zo erg niet zijn, zo ver zal het niet komen; iem. in zijn vaart stuiten ; (een dorp, gemeenschap, land e.d.) opstoten in de vaart der volkeren ironisch tot bloei doen brengen, belangrijk maken; 2 het varen, scheepvaart:in de vaart brengen in dienst stellen; de grote vaart zeevaart; de wilde vaart ongeregelde vrachtdienst, waarbij de schepen op eigen risico hier en daar vracht opdoen; 3 kanaal; vaarten4 tocht, reis te water |
| vaart: | alle handelingen van een vissersschip vanaf het vertrek uit de haven tot aan het afmeren |
| vaart: | haast, snelheid, spoed, tempo, voortvarendheid dynamiek, schwung, elan, kracht, vooruitgang gracht, kanaal tocht, gang, loop |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.