| vertrouwen: | ver` trou - wen I (vertrouwde, h. vertrouwd) 1 voor eerlijk, trouw aanzien: hij is niet te vertrouwen ;2 vertrouwen oprekenen, hopen op: op God vertrouwen ; vertrouw erop dat het in orde komt ; II het -woord 1 geloof aan iemands eerlijkheid en trouw: iems. vertrouwen genieten ; vertrouwen stellen in iem. ; een blind vertrouwen in iem. hebben ;2 hoop: hij zag de toekomst met veel vertrouwen tegemoet ; overtuiging: in het volste vertrouwen dat hij er goed aan deed ;3 geheim: iemand iets in vertrouwen mededelen ;iemand in vertrouwen nemen hem een geheim vertellen |
| vertrouwen: | accrediteren, betrouwen, afgaan op, bouwen, geloven, hopen, steunen op, zich verlaten op confidentie, fiducie, geloof, overtuiging, hoop, krediet, overtuiging |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.