| vrucht: | («Latijn) de -woord vruchten 1 deel van de plant dat zich uit de bloem ontwikkelt en dat het zaad bevat; zie ook bij dragen ;aan de vruchten kent men de boom aan zijn daden of aan zijn kinderen leert men een mens kennen; de verboden vrucht iets aanlokkelijks, waar men niet aan mag komen (naar het verhaal van de zondeval, Genesis 3); 2 kind, jong, vooral nog niet geboren;3 voortbrengsel, opbrengst, resultaat: de vrucht van onze arbeid ;vruchten plukken van voordeel verkrijgen uit; met vrucht het onderwijs volgen met een goed resultaat; burgerlijke vruchten inkomsten uit pacht, huur en interest, tegengest : natuurlijke vruchten ; onze inspanning begint vrucht af te werpen begint wat op te leveren |
| vrucht: | het intra-uteriene stadium in de levenscyclus van Mammalia, waarvan het allereerste stadium embryo wordt genoemd |
| vrucht: | intra-uterien stadium in de levenscyclus van Mammalia, waarvan het allereerste stadium embryo wordt genoemd |
| vrucht: | ooft, voortbrengsel, opbrengst, product, resultaat jong, kind |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.