| zo: | I bijwoord 1 op deze wijze: gaat dat zo? ; goed zo? ; het zij zo ;hoe zo? waarom?; het is zo het is waar; 2 in die mate: hij is zo rijk dat hij zich alles veroorloven kan ; hij was niet zo goed, of hij moest mee ;3 in hoge mate: ik ben er zo mee in mijn schik ;4 dadelijk, onmiddellijk: hij komt zo ; zo uit de pan ;dat kun je zo krijgen zonder bijzondere moeite; zo maar zonder aarzelen of nadenken, zonder bijzondere bedoeling, zonder met bezwaren te rekenen; 6 even geleden: ik heb haar zo nog gezien ;7 ongeveer;zo rond de kerst om en nabij het Kerstmis, in de kersttijd; 8 Zuid-Nederlands :zo een of zo`n zulk(e): zijn wij dan zo`n toffe jongens? ; II tussenwerpsel uitroep van voldoening, verbazing e.d.: zo, dat is klaar ; zo, is hij getrouwd? ; III voegwoord 1 vooral Zuid-Nederlands indien, als: zo mogelijk zal deze regeling voor 1 januari al ingaan ;zo niet als dat niet het geval is; Zuid-Nederlands : we zouden ons zorgen hebben gemaakt, zo we dit geweten hadden ; 2 ter inleiding van een vergelijking: zo vader, zo zoon ; zo goed als ze is in wiskunde, zo slecht is ze in talen ;3 overeenkomstig, naar: zo ik hoor ben je al enige tijd ziek2 zode -woord zooien = zooi ; zie ook bij zootje |
| zo: | aldus, als, dienovereenkomstig, zoals, zodoende als, ingeval, indien dadelijk, onmiddellijk, zometeen ongeveer |
Woorden zoeken
- Woorden A-Z
© SWC. Woorden-Boek.nl zoekt in 104.342 woorden.